Inloggen
Welkom Gast,

U kunt zich hier registreren
of hieronder inloggen.



Wijkcentrum gerenlanden Zwolle

Cafetaria Eethuis Zuid, Zwolle

Visie op ouders

Om een goed contact met de ouders te onderhouden is het van belang dat zij betrokken worden in het hulpverleningsproces ten aanzien van hun kind én dat ze zich thuis voelen op de leefgroep.
Hieronder wordt beschreven op welke wijze we ouders kunnen betrekken, zodat er een betere relatie tussen ouders en kind ontstaat én een betere relatie tussen ouders en groepsopvoeders. Hierdoor zal de hulpverlening aan het kind effectiever worden en het zo mogelijk werken naar thuisplaatsing én het werken aan de hulpvraag en de doelstelling (thuisplaatsing of plaatsing ergens anders) ten goede komen.
Plaatsende instanties pleiten voor ouderbegeleiding in de instelling waar het kind tijdelijk woont. Op deze manier heeft het gezin te maken met één instelling zodat alles goed op elkaar afgestemd kan worden. Hoe minder instellingen betrokken zijn bij de hulpverlening, hoe effectiever en efficiënter de hulpverlening zal zijn.

Kortweg zijn er drie redenen om (samen) te werken met ouders van kinderen die in een instelling wonen.

Ten eerste bestaat er de onverbrekelijke band tussen ouders en kinderen. Alhoewel een instelling de opvoeding vaak voor langere of kortere tijd overneemt, blijven voor de kinderen de ouders hun vader en moeder en zijn zij dus het belangrijkst voor het kind. Tussen ouders en kinderen bestaat loyaliteit. Dit is een bindende kracht in het gezin die heel groot is. Loyaliteit berust op het existentiële feit dat een kind het leven gekregen heeft van zijn ouders. Zo lang een mens leeft, blijft hij verbonden aan zijn oorsprong. Binnen familieverbanden bestaan ongeschreven wetten die weer samenhangen met het erfgoed dat ons is doorgegeven vanuit vorige generaties. Iemand die zijn ouders werkelijk afvalt, verwerpt daardoor zijn wortels en daarmee een deel van zichzelf. Het is van het grootste belang dat loyaliteitsgevoelens erkend en eerbiedigd worden. De manier waarop de ouders benaderd moeten worden is daarom van belang. Om een klein voorbeeld te noemen; groepsopvoeders vallen nooit de ouders af in het bijzijn van de kinderen. De ouders zijn ten alle tijden de eerstverantwoordelijken voor hun kind. Dit ouderlijk besef van verantwoordelijkheid is tijdloos en onvoorwaardelijk ook al is de vormgeving van deze verantwoordelijkheid niet altijd even gelukkig en in de opvoeding soms nauwelijks herkenbaar.

Ten tweede blijkt het dat het kind de groepsopvoeder beter gaat accepteren wanneer een kind ziet dat hun ouders de groepsopvoeders accepteren. Het kind wordt dan niet in een loyaliteitsconflict geplaatst en draait beter mee op de groep. Dit wil dus zeggen dat de hulpverlening beter aan kan slaan en dit aan het kind zelf ten goede komt.
Ten derde is het zo dat ouders ervaringsdeskundigen zijn. Zij hebben hun kind dagelijks meegemaakt. Ouders zijn een grote bron van informatie die maakt dat samen met de reeds aanwezige informatie er een compleet beeld gevormd wordt van de problematiek. Dit komt de hulpverlening én de ouders en het kind ten goede en zorgt voor een efficiënte hulpverlening. Het zou goed zijn als tijdens de intakeprocedure de ouders en/of (gezins)voogd dan ook gevraagd worden gegevens over hun kind te verstrekken (o.a ziektebeeld van de familie en van het kind) en dat er gesprekken plaats vinden over het kind (wat is de problematiek, welk gedrag vertoont het kind, enz.).
Alle drie de redenen helpen aan een betere hulpverlening waardoor het kind zich beter kan ontwikkelen.

Ouderschapsproblematiek

Het ouderschap bevat verschillende fasen. Een baby opvoeden kent immers andere vaardigheden (veel verzorging), dan het opvoeden van een adolescent (meer superviseren ofwel begeleiden). Elke ntwikkelingsfase stelt nieuwe, andere eisen aan het ouderschap en het ouderschap groeit mee met de ontwikkeling van het kind. Een ouder moet in staat zijn gevoelens, gedachten en gedragingen binnen een ontwikkelingsgericht kader te plaatsen.

Goed ouderschap kent drie kernfuncties

Interpreteren

Tijdens de opvoeding is een ouder constant aan het interpreteren van het gedrag van zijn kind, het resultaat vergelijken met wat men weet over dit kind en kinderen in het algemeen en vervolgens problemen oplossen. Een kind zendt signalen uit (bijvoorbeeld huilen, lachen, een vraag stellen, jokken), waarop een ouder reageert (na interpretatie van het gedrag van het kind) door een gepast antwoord te geven, te luisteren, te helpen, sympathie te tonen of te corrigeren. De manier waarop een ouder reageert op het kind zorgt ervoor dat er een patroon ontstaat. Het kind zendt een signaal uit en de ouder reageert hierop. Als een ouder het gedrag van het kind structureel onjuist interpreteert, krijgt het kind een onjuiste reactie. Kind en ouder begrijpen elkaar niet waar de voorspelbaarheid van de ouder niet aanwezig is en er geen veiligheid in de ouder-kindrelatie is. Ook de verschillende manieren van reageren op een zelfde soort gedrag van het kind maakt het kind onzeker en geeft onveiligheid. Doordat sommige ouders niet op een juiste manier reageren op het gedrag van het kind, kunnen er negatieve spiralen of cirkels ontstaan die problemen dermate kunnen vergroten dat de ouder de opvoeding alleen niet meer aan kan.

Respecteren

Dit verwijst naar de kwantiteit en kwaliteit van de emoties die de ouders in het kind investeert. Ouders houden van hun kinderen. Zelfs mishandelende ouders doen dat. De biologische band zorgt voor sterke emotionele bindingen en een reservoir aan authentieke gevoelens. Toch zijn er moeders die vertellen dat hun baby niet vertrouwd aanvoelde (rook niet lekker, lijkt niet van hen of ze voelen zich vervreemd). De biologische band is dan kennelijk verstoord. In deze gevallen is de ambivalentie (=dubbelwaardigheid) van de ouders versterkt of overweegt zelfs de afwijzende houding. Versterkte ambivalentie en negatieve prikkels leiden ertoe dat de ouder-kindrelatie gekenmerkt wordt door emotionele verwarring. Het kind wordt hierdoor onzeker met betrekking tot wat van hem verwacht wordt (zie ook interpreteren).

De ouder die heeft geleerd compromissen te sluiten tussen enerzijds de eigen, individuele wensen en ambities en anderzijds de eisen en verplichtingen die het ouderschap met zich mee brengen, is vooral een respecterende, nieuwsgierige ouder die niet bij voorbaat weet, begrijpt en voelt wat zijn kind ervaart. Deze ouder maakt ruimte voor de gedachten en gebeurtenissen in het leven van zijn kind met alle dubbelzinnigheden en onzekerheden die daarbij horen. Goed ouderschap vraagt om adequate afstemming door middel van respecterende nieuwsgierigheid naar het ervaren van het kind én tolerantie én acceptatie van de bijbehorende gevoelens.

Regisseren

Het regisseren verwijst naar het sturende en leidinggevende gedrag van de ouders.

  • In het gezinsfunctioneren onderscheiden we twee aspecten:


Structuren

  • ontwikkelen van en omgaan met grenzen, afspraken en regels tussen de gezinsleden


Communicatie

  • Naar elkaar luisteren, elkaar onderling corrigeren en stimuleren, rekening houden met leeftijdsvariabelen, gevoeligheden en loyaliteiten.


Van de ouders wordt verwacht dat ze deze opvoedingscompetentie bezitten om leiding te geven aan deze processen. Een ouder moet zich hierin actief opstellen en bereid zijn om normerend te handelen.

Ouders kunnen hun aandacht te eenzijdig op bepaald gedrag richten. Het gevolg ervan kan zijn dat ongewenst gedrag met aandacht beloond wordt en gewenst gedrag niet meer aangemoedigd en beloond wordt. Opdrachten en eisen worden niet altijd duidelijk genoeg overgebracht of worden als vragen geformuleerd zodat het suggereert dat het kind een keus heeft. Daarnaast verzekeren ouders zich er niet altijd van dat hun kind luistert.
Om tot een goed ouderschap te komen, zullen ouders een juiste mix moeten bieden van controle en strengheid enerzijds en de kans om te exploreren en te experimenteren anderzijds.

Als het kind al een tijd niet meer bij de ouders woont, is het voor deze ouders vaak niet goed mogelijk om mee te groeien in deze drie kernfuncties.

Risicofactoren

Enkele risicofactoren voor een tekortkomend opvoederschap zijn:

  • eenouder-stief of samengestelde gezinnen
  • psychische stoornis van één van de of beide ouders of broers/zussen van het kind
  • (onzichtbare) stoornissen van het kind
  • negatieve en/of onstabiele partnerrelatie
  • spanningen op werk, werkloosheid en armoede
  • ontbreken van juiste en voldoende sociale steun aan het gezin (sociaal isolement)
  • stress in het gezin (door echtscheiding, overlijden, detentie, verhuizen, enz.)
  • negatieve kindertijd van ouders
  • armoede en gebrekkige scholing
  • ouders hebben geen realistische verwachtingen van hun kind
  • ouders hebben slechte probleemoplossingvaardigheden
  • trauma's van ouders en/of kind
  • overmatig drank- en drugsgebruik/misbruik


Als je al deze punten omkeert (bijvoorbeeld een gezin met de officiële ouders), krijg je de beschermende factoren.
Als er sprake is van een positieve en stabiele partnerrelatie in plaats van een negatieve en onstabiele partnerrelatie, kan dit gebruikt worden als een beschermende factor. Deze kunnen goed gebruikt worden in de behandeling.

Pedagogische verwaarlozing verwijst naar het tekortschieten van het ouderschap wat betreft bescherming, opvoeding en het voldoen aan lichamelijke, materiële en immateriële verzorgingsbehoeften van kinderen. Daarnaast heb je affectieve verwaarlozing: het niet tegemoet komen aan de behoefte van kinderen aan aandacht en betrokkenheid, veiligheid, zelfwaardering, emotionele warmte en regulatie van hun emoties.

Het is goed te realiseren dat ouderschap een 'black box' is en we weten maar bar weinig over de wijze waarop ouderschap functioneert, laat staan dat we het begrijpen. We weten dan ook maar weinig over oorzaak - gevolg en over relaties tussen bijvoorbeeld ouderschap en huwelijksproblemen.

Ook moeten we ons realiseren dat stressvolle omstandigheden niet dé verklaring voor ouderschapsproblematiek is. Wel veroorzaakt tekortschieten als ouder méér stress dan tien rampzalige omstandigheden. Dagelijks falen als ouder is erger dan bijvoorbeeld die onmogelijke partner plus dat miserabele huis. Het vreet aan zelfrespect, geweten, stemming, aan de hele persoon.

Doelgroep en hulpvraag


Op een instelling komen verschillende ouders van wie hun kind om verschillende redenen geplaatst is op een leefgroep. Het kan zijn dat de ouders de opvoeding niet meer aan kunnen, maar het kan ook zijn dat het kind dermate gedragsproblemen vertoont dat de ouders het kind niet meer aan kunnen. Naast het verschil in reden van plaatsing, is er het verschil in de manier waarop de plaatsing verlopen is. Het ene kind is vrijwillig aangemeld/geplaatst en het andere kind via justitie. Het al dan niet vrijwillig plaatsen zal mede bepalen hoe de ouders tegen de instelling aan zullen kijken en hoe hun houding (en dus hun bereidheid tot medewerking) zal zijn.

Voor ouders is het moeilijk dat hun eigen handelen, attitude en opvattingen nu ook aan de orde komen. Dit is voor hen moeilijk vanwege de sterke emotionele en existentiële verbondenheid met hun kind. Gevoelens van schaamte en schuld, woede en verdriet, krenking en verloren ambities spelen hierbij een rol.

Iedere ouder is uniek, maar om het geheel overzichtelijker te maken, wordt er een onderverdeling gemaakt van ouders in 3 groepen. Per groep wordt er een korte beschrijving geven. Het is goed je te beseffen dat er bij alle ouders het besef van verantwoordelijkheid voor hun kind wel aanwezig is, maar dat de mate waarin dat aanwezig is een/of de mate waarin dat besef gestagneerd is, verschilt. Ook is het goed er bij stil te staan dat alle ouders erg kwetsbaar zijn.

I

Dit zijn ouders die de eigen verantwoordelijkheid voor het welzijn van het kind geheel op zich nemen. Dit is ook duidelijk te zien aan de omgang met hun kind en aan hun geschiedenisverhaal van het gezin. Ze hebben dan ook oog voor de behoeften van het kind. Ze hebben (soms met hulp van anderen) op bepaalde aspecten inzicht in het kind. Door de situatie (hetzij bij het kind, hetzij bij de ouders, hetzij door een combinatie) is de ouder-kind relatie (tijdelijk) geschaad. De ouders willen graag hulp en doen wat in hun mogelijkheid ligt om de hulpverlening te laten slagen. Zij hebben dan ook de cognitieve mogelijkheden om hun inzicht en vaardigheden te vertroten. Hun financiële en sociale situatie is daar meestal bij tot steun. Er kan gewerkt worden naar thuisplaatsing.

Hulpvragen

  • Help mij inzicht te krijgen in het gedrag van mijn kind.
  • Help mij adequaat om te gaan met het gedrag van mijn kind.
  • Help mij het contact tussen mijn kind en mij te optimaliseren.
  • Help mij mijn volledige ouderrol weer op me te nemen.


II

Dit zijn ouders die gedeeltelijk hun eigen verantwoordelijkheid voor het welzijn voor hun kind op zich kunnen nemen. Aan hun omgang met het kind is niet goed te zien in welke mate het besef van verantwoordelijkheid aanwezig is. Ze hebben voor een deel oog voor de behoeften van het kind. Door de situatie (hetzij bij het kind, hetzij bij de ouders, hetzij door een combinatie) is de ouder-kind relatie geschaad. Het is de vraag in hoeverre de ouders in staat zijn de verantwoordelijkheid voor hun kind te kunnen erkennen en op zich te nemen en in hoeverre ze in staat zijn in de behoeften van het kind te voorzien. Vaak staan deze ouders ambivalent tegenover hulp. De eigen problematiek van deze ouders is vaak groot. Hun financiële en sociale steun is niet altijd optimaal. Thuisplaatsing is de vraag.

Hulpvragen

  • Help mij inzicht te krijgen in het gedrag van mijn kind.
  • Help mij adequaat om te gaan met het gedrag van mijn kind.
  • Help mij het contact tussen mijn kind en mij te optimaliseren.

Pas als aan deze drie hulpvragen voldaan is, komen we bij de volgende hulpvraag:

  • Help mij mijn volledige ouderrol weer op me te nemen.


III

Deze ouders zijn haast niet in staat de verantwoordelijkheid voor het welzijn van hun kind op zich te nemen. Ze hebben weinig (tot geen) inzicht in de behoeften van het kind. De ouder-kind relatie is dermate geschaad en de toekomstperspectieven zijn zo klein dat thuisplaatsing niet mogelijk zal zijn. Deze ouders staan vaak wat negatief tegenover de hulpverlening. Deze ouders zijn vaak gevangen in hun eigen problemen. Hun financiële en sociale steun is vaak niet toereikend. De mogelijkheid thuisplaatsing zal in de ogen van de hulpverleners en/of kinderrechter niet van toepassing zijn. Toch bekijkt de (gezins)voogd vaak van jaar tot jaar of thuisplaatsing een mogelijkheid is. Dit geeft de ouders geen rust. Het is gebleken dat er een betere werkrelatie ontstaat als ouders hebben geaccepteerd dat thuisplaatsing niet meer mogelijk is of voor een aantal afgesproken jaren niet mogelijk is.

Hulpvragen

  • Help mij met de verwerking van het niet langer thuis kunnen wonen van mijn kind.
  • Help mij vorm te geven aan mijn ouderrol op afstand.
  • Help mij het contact tussen mijn kind en mij te verbeteren.


In de praktijk kunnen de ouders in groep I vaak begeleid worden in de instelling zelf. De ouders in groep II kunnen wisselend begeleid worden in de instelling zelf. Soms is het nodig dat de plaatser/ (gezins)voogd het overneemt en zorgt voor begeleiding aan de ouders.
De ouders in groep III zijn vaak voor de instelling niet verantwoord te begeleiden. Het contact beperkt zich dan vaak tot het informeren en het verbeteren van het contact tussen ouder en kind. Het is mogelijk dat de plaatser/(gezins)voogd het heft in handen moeten nemen.

Bij een complexer wordende ouderproblematiek is het voor de teamleider praktisch geen mogelijkheid om begeleiding te geven, om drie redenen:

  1. De kans is aanwezig dat het de hulpverlening tegenwerkt.
  2. De begeleiding zit niet in de hulpvraag.
  3. Het toekomstperspectief is niet zodanig dat begeleiding gewenst is.


Dit heeft tot gevolg dat de plaatser/(gezins)voogd aanvullende hulp zal moeten bieden. Intensieve ouderbegeleiding is dan een aanrader.

Oudergericht werken

Om meer oudergericht te gaan werken in instellingen kunnen we gebruik maken van de volgende middelen:

  • Ouderbegeleiding
  • Opvoedingsondersteuning & Ontwikkelingsstimulering


Deze twee middelen zijn makkelijk door elkaar te halen, zeker doordat ze wel samen gebruikt worden. Opvoedingsondersteuning & ontwikkelingsstimulering wordt preventief gebruikt, dus ter voorkoming dat de situatie thuis dermate uit de hand loopt dat het kind niet meer thuis kan wonen. In instellingen gebruikt men dit middel om ouders te ondersteunen in en te optimaliseren van hun ouder-kindrelatie.
Ouderbegeleiding wordt gegeven door een ouderbegeleider (hij heeft dan ook deze opleiding genoten) wanneer de situatie thuis dermate uit de hand is gelopen dat het kind uit huis geplaatst is. Wat het verwarrend maakt is dat de ouderbegeleider gebruik maakt van aspecten van opvoedingsondersteuning & ontwikkelingsstimulering. Beide zullen hieronder besproken worden.

Ouderbegeleiding


Buiten dat het kind deskundige hulp nodig heeft, hebben ook ouders hulp nodig. Ouderbegeleiding wordt vaak als invalshoek gebruikt waar ouders en de hulpverleners elkaar kunnen vinden. Zo kan het besef van verantwoordelijkheid (in welke mate dan ook dit aanwezig is bij ouders) gebruikt worden als aanspreekpunt.

Ouderschapsproblemen hebben een achtergrond en een ontstaansgeschiedenis. Ze worden bepaald door temperament, omstandigheden en persoonlijkheden. Ze vereisen zorgvuldige aandacht en daarvoor is een speciale deskundigheid nodig. De deskundigheid van de ouderbegeleider is gericht op de ouders. Voor hem is het kind de omgevingsfactor. Hij werkt in het belang van de ouders, maar niet ten koste van het kind. Meestal heeft de ouderbegeleider niet direct met het kind te maken. Op deze wijze raakt hij niet te betrokken bij het kind en kan hij objectiever blijven tegenover de ouders.

Ouderbegeleiding betekent geen therapie voor de ouders. De rationale achter deze opstelling is dat er bij lichtere ouderschapsproblematiek ruimte is voor ouderbegeleiding zonder therapie en dat het bij zwaardere problemen of stoornissen nóg meer de kunst is om daar als ouderbegeleider omheen te werken. Dus om de oudercapaciteiten die er zijn op te sporen en te ontginnen en om de bijzondere mogelijkheden voor groei die juist het ouderschap biedt, uit te buiten. Therapie zal zich meer richten op de ouder als individu en niet als opvoeder. Bovendien kan het kind niet wachten op de gehoopte maar onzekere resultaten van oudertherapie. Een ouderbegeleider werkt gedragstherapeutisch (gebruikt onderdelen hiervan), structureel (voorbeelden van structureel werken zijn systeemtheoretisch en volgens de communicatietheorie), praktisch-pedagogisch en op ervaring met ouderschapsproblematiek gegronde strategieën.

Begeleiding kan inhouden: advies, coaching, inzicht vergroten, steun geven of zo nodig een therapeutische uitstap (dit houdt dus geen volledige therapie in)maken. Dat gebeurt echter alleen met instemming van de ouders, is gericht op ouderschapsgroei en staat direct in dienst van het belang van het kind. De ouderbegeleider 'vertaalt' de hulpverleners/onderzoekers-taal in ouder-taal. Dit betekent dat hij:

  • de informatie gedoseerd overbrengt: vandaag dit, volgende keer dat en sommige punten pas in een veel later stadium, of nooit.
  • de informatie presenteert in een vorm die uitgaat van hoop en die wijst in de richting van een oplossing.
  • eerst de dingen benoemt die goed zijn bij ouder én kind.


Hij vertelt de ouders dat wat nuttig voor hen is om te weten.

Het is belangrijk dat de ouderbegeleider in de schoenen van de ouders kan staan. Daarnaast zal hij zelf ook stevig in zijn schoenen moeten kunnen staan, aangezien hij soms tussen ouders aan de ene zijde en de hulpverleners en de kinderen aan de andere zijde staat.
De ouderbegeleider kijkt niet alleen naar de symptomen (verwaarlozing, verwennen, enz.), maar vooral ook naar de ouderschapsproblematiek daarachter. De ouderbegeleider treedt met de ouders in gesprek om zo informatie te vergaren over ouderschap.

De ouders vertellen hoe hun beider ouderschap groeide of stagneerde en over de omstandigheden waaronder zij hun kind grootbrachten en hoe zij dit alles ervaren hebben. Er ontstaat al pratende een relatie en alleen van daaruit weet de ouderbegeleider hoe hij informatie over het kind moet 'vertalen' naar de ouder. Binnen de relatie groeit bij ouders vaak de bereidheid om nieuwe informatie toe te laten. Vragen voor de ouderbegeleider hierbij kunnen zijn: welke 'trigger' heeft deze ouder op het verkeerde been gezet, welke percepties van het kind doen deze ouder optreden zoals hij doet, welk innerlijk beeld van zichzelf als opvoeder maakt het deze ouder onmogelijk om grenzen te stellen, enz.

De kunde van ouderbegeleiding ligt in het vergaren, ordenen en vertalen van de informatie van de ouders voor de kinderdeskundigen en vice versa. Het is de kunst voor de ouderbegeleider om ervoor te zorgen dat in de gesprekken met de ouders de belangen van het kind zwaar wegen en dat in het overleg met de kinderdeskundigen de belangen en de visie van de ouders zwaar wegen.

In het werken met de ouders neemt de ouderbegeleider het volgende als uitgangspunten:

  • De ouders zijn cliënt en vragen consult.
  • De ouders zijn méér dan hun ouderschapsproblematiek, maar de vraag is nu hoe de ouderschapsproblematiek te begrijpen.
  • Het besef van de ouders voor verantwoordelijk-zijn voor het kind, al lijkt deze nog zo onderontwikkeld of verzwakt, is aanwezig en het is hun legitimatiebewijs als ouder en het is de basis waarop hulpverlening stoelt.
  • Niemand is zo kwetsbaar als een ouder die niet voldoet aan de verwachtingen van zijn kind, zichzelf, de maatschappij, kortom: van ouderschap.


Wat lastig is voor de ouderbegeleider is dat hij zich constant beweegt in het spanningsveld tussen kindbelang, ouderbelang en de wensen van verwijzer of collega's.

Tot slot wordt aangeven wat een ouderbegeleider aan kennis, kwaliteiten en vaardigheden in huis moet hebben:

  • Kennis over kindbeelden en hun invloed op ouderschap.
  • Niet oordelen over het gedrag van ouders, maar juist de ouders positieve ondersteuning geven in het aanmeten van hun gedrag.
  • De dilemma's en emoties van ouders over het belang van hun kind in kaart brengen ze toetsen aan de vragen die het gedrag van het kind stelt.
  • Zich voortdurend ervan bewust blijven dat -vooralsnog uitzonderingen daargelaten- niet hij of de instelling eindverantwoordelijk is voor het kind, maar de ouders.
  • Fasen van ouderbegeleiding kennen: kennismaking, onderzoek, advies en begeleiding en deze volledig benutten (niet te snel naar de volgende fase willen gaan).
  • Kennis hebben van de invloed van genen en omgeving op het leven van de mens.
  • Kennis hebben van ouderschap.


De kern van ouderbegeleiding is het kunnen innemen van een meta-postitie. Dat wil zeggen dat je boven de ergernis en bekommernis kunt staan ten opzichte van de ouders.

Per instelling is het wisselend wat betreft de mogelijkheden met betrekking tot het geven van ouderbegeleiding en opvoedingsondersteuning & ontwikkelingsstimulering. Ik streef er naar dat alle ouders in iedere instelling de hulp kunnen krijgen die zij nodig hebben, dus hulp op maat en vraaggericht.

De ouders die intensieve hulp het meest nodig hebben, kunnen deze vaak niet krijgen en komen er dan ook het bekaaist af. Ik vind dit een erg groot punt. Ik denk dat het erg nodig is dat niet alleen kinderen/jongeren geholpen worden, maar ook hun ouders. Dit is zeker in het voordeel van de kinderen. Ik besef dat het werken met ouders niet altijd gemakkelijk is, maar ik denk ook dat hulpverleners zich lang niet bewust zijn van de positie van de ouders. Als we met ons allen wat meer en dichter bij elkaar zouden komen, is iedereen daar gebaat bij en in het bijzonder het kind

Hieronder wordt beschreven wat opvoedingsondersteuning en ontwikkelingsstimulering inhoudt en hoe het gebruikt kan worden.

Opvoedingsondersteuning & ontwikkelingsstimulering

Opvoedingsondersteuning & Ontwikkelingsstimulering bestaat uit de volgende indeling:

  • Opvoedingsondersteuning (ondersteunen van het opvoedproces)
  • Ontwikkelingsstimulering (ondersteunen en stimuleren van het ontwikkelingsproces van kinderen en jongeren)
  • Beïnvloeding van omgevingsfactoren (interventies ten aanzien van de sociale pedagogische omstandigheden van kinderen)
  • Gezinsondersteuning (verminderen van draaglast en vergroten van draagkracht op alle terreinen van het gezinsfunctioneren)


Alleen de dimensie opvoedingsondersteuning is oudergericht. De andere drie zijn of kindgericht of omgevingsgericht. In het vervolg van het verhaal wordt dan ook uitgegaan van en ingegaan op opvoedingsondersteuning

In het algemeen is opvoedingsondersteuning preventief van aard. Het doel is het voorkomen van dermate ernstige situaties waardoor een kind niet langer thuis kan blijven wonen. Voor opvoedingsondersteuning kan je o.a bij De Opvoedwinkel, Moeders informeren Moeders, Steunpunt opvoeding (STOP) terecht.

Jeugdinstellingen proberen steeds meer om opvoedingsondersteuning te geven aan ouders. Dit neemt wel iets andere vormen aan dan de officiële vorm, zo ook binnen De Enk, aangezien het opvoedingsproces inmiddels al gestagneerd is.

Opvoedingsondersteuning bevat 4 elementen:

  1. Geven van informatie en voorlichting
  2. Geven van pedagogische advisering en lichtpedagogische hulp
  3. Signalering en vroegtijdige onderkenning
  4. Versterken van zelfhulp en sociale steun

Opvoedingsondersteuning richt zich op het pedagogische klimaat in het gezin: 'ouders ondersteunen bij het opvoeden'. Je kunt hierbij denken aan opvoedingsvaardigheden aanleren, informatie geven over de ontwikkeling van kinderen of adviseren over een mogelijke aanpak van een opvoedprobleem. Omdat er ouders zijn die de opvoeding niet goed aan kunnen doordat ze weinig of geen sociale steun hebben, is er de mogelijkheid samen met ouders te werken aan een opbouw van een sociaal netwerk.

Doel van opvoedingsondersteuning

Het doel van de officiële opvoedingsondersteuning is het voorkomen van een stagnatie in de opvoeding met als grootste gevolg een uithuisplaatsing. Binnen instellingen zal het doel anders zijn aangezien de opvoeding al zodanig is gestagneerd dat het kind niet meer thuis kon wonen. Hier (gezamenlijk met ouderbegeleiding) zal het doel zijn: verbeteren van het contact tussen ouder en kind, verbeteren van opvoedingsvaardigheden en/of mogelijk maken van thuisplaatsing. Subdoelen hierbij zullen o.a zijn het inzichtelijk maken van gedrag, praten met ouders over ideeën en verwachtingen die zij hebben, aanvullen tekort aan kennis of vaardigheden en de ouder die ouderrol geven die hij aankan.

Manieren van geven van opvoedingsondersteuning

Binnen de instelling waar ik mijn jaarstage heb volbracht, hadden zowel de teamleider als de mentoren/groepsopvoeders hun eigen aandeel in de omgang met ouders. Het vervolg wordt op deze verdeling gebaseerd. De teamleider, mentor/groepsopvoeder hebben zo elk hun aandeel in het geven van opvoedingsondesteuning.

Groepsopvoeders kunnen opvoedingsondesteuning voor een deel geven in de contactmomenten met de ouders. De teamleider zal hier vorm aan kunnen geven in de gesprekken die hij heeft met de ouders.

Aangezien de teamleider meestal (binnen sommige instellingen is dit de mentor) het aanspreekpunt voor de ouder is en hij oudergesprekken voert is zijn invulling aan het geven van opvoedingsondersteuning uitgebreider dan die van de groepsopvoeder. (voor de groepsopvoeder zullen oudergesprekken meestal buiten het takenpakket vallen.) Zowel de teamleider als de mentoren/groepsopvoeders worden aangestuurd door het hulpverleningsplan. Dit houdt dus in dit niet altijd alle aspecten van opvoedingsondersteuning gebruikt zullen worden bij alle ouders op De Enk.

Teamleider (soms in samenwerking met de orthopedagoog)

Geven van informatie en voorlichting

  • Informatie geven over specifieke kenmerken van het kind zodat er beter inzicht ontstaat in de reactiepatronen van het kind.
  • Informatie geven over de contacten die het kind heeft.
  • Informatie geven over de resultaten van het kind op school.
  • Informatie geven over de behandeling.
  • Informatie geven over de werkwijze op de groep.

Geven van advies en begeleiding

  • Aanvullen tekort aan kennis of vaardigheden.
  • Kennis over de ontwikkeling van een kind.
  • Aangeven hoe ouders:
  • Veiligheid kunnen bieden
  • Kunnen verzorgen
  • Zicht kunnen houden op het kind
  • Verwachtingen kunnen overbrengen aan het kind
  • Grenzen kunnen stellen
  • Praten over ideeën of verwachtingen die ouders hebben en indien nodig ouders ondersteunen in het bijstellen van deze ideeën en verwachtingen.
  • Bijsturen bij interpretatie van het gedrag van kinderen door ouders.
  • Aansluiten bij behoeften van ouders (waarmee willen zij geholpen worden).
  • Ouders met concrete aanwijzingen helpen daar waar vragen zijn.
  • Ouders helpen de zaken op een rijtje krijgen (steun bij informatieverwerking).


Geven van emotionele steun en feedback

Ouders gelegenheid geven emoties te uiten zonder normering en waardering. (Het is goed in te gaan op het gedrag van de ouder, maar een emotie mag er altijd zijn. Daar kan de ander niets over zeggen. Een emotie is namelijk een gevoel dat een persoon heeft en dat gevoel moet er altijd mogen zijn.) .

Ouders steunen en helpen in situaties met hun kind waarin zij het moeilijk hebben.

Modeling en voorbeeldleren

Voordoen hoe ouders adequaat kunnen reageren op gedrag.
Laten zien wat het resultaat kan zijn van de manier waarop er gereageerd wordt op gedrag.
Voordoen hoe ouders kunnen spelen met hun kind.
Voordoen hoe ouders een praatje kunnen maken met hun kind.
Laten zien hoe je:
Veiligheid biedt
Verzorgt
Zicht houdt op het kind
Verwachtingen overbrengt aan het kind
Grenzen stelt

Mentor

Geven van advies en begeleiding

  • Inspringen bij interpretatie van het gedrag van kinderen door ouders.
  • Ouders met concrete aanwijzingen helpen daar waar vragen zijn.

Geven van emotionele steun en feedback

  • Ouders steunen en helpen in situaties met hun kind waarin zij het moeilijk hebben.

Modeling en voorbeeldleren

  • Voordoen hoe ouders adequaat kunnen reageren op gedrag.
  • Laten zien wat het resultaat kan zijn van de manier waarop er gereageerd wordt op gedrag.
  • Voordoen hoe ouders kunnen spelen met hun kind.
  • Voordoen hoe ouders een praatje kunnen maken met hun kind.
  • Laten zien hoe je:
  • Veiligheid biedt
  • Verzorgen
  • Zicht houdt op het kind
  • Verwachtingen overbrengt van wat je verwacht van een kind
  • Grenzen stelt

Groepsopvoeder

Mondeling en voorbeeldleren

Zie mentor

Met betrekking tot de omgang met de ouders bestaan er een aantal taken. De teamleider is het centrale aanspreekpunt voor de ouders. Hij behandelt klachten, neemt beslissingen (bijvoorbeeld rondom het verschuiven van een bezoekdag) en onderhoudt het contact met de ouders. De groepsopvoeders horen de ouders aan en reageren hier kort op. Ze gaan echter niet de strijd aan. Zaken waar wat mee gedaan moet worden (bijvoorbeeld vragen, klachten of bepaald gedrag van de ouders), spelen zij door aan de teamleider. De plaatser/(gezins)voogd heeft de beslissingsmacht. Zo bepaalt hij in welke mate de ouders contact mogen hebben met hun kind en hoe het traject van de hulpverlening eruit moet zien. De orthopedagoog/gedragswetenschapper heeft een adviserende functie. Zo kan zij adviseren hoe om te gaan met bepaald gedrag van de ouders.

Als onderdeel van opvoedingsondersteuning en ontwikkelingsstimulering is het het meest haalbaar om een vorm van opvoedingsondersteuning te geven. Groepsopvoeders kunnen dit voor een deel geven in de contactmomenten met de ouders. De teamleider zal hier vorm aan kunnen geven in de gesprekken die hij heeft met de ouders.

Methodiek

Op de Enk wordt er gebruik gemaakt van de methodiek van Kok. Zijn methodiek is verwoord door M. van Heteren, P. Smits en M. van Veen in het boek ''Orthopedagogiek antwoorden op vraagstellingen''. Het is gericht op het opvoeden van het kind waarbij gekeken wordt welke hulpvraag het kind heeft. Als er gekeken wordt naar de ouderkant vanuit Kok, dan zegt hij dat de ouders opvoeders zijn en blijven. Er is alleen wel een verschil in de mate waarin dat tot uiting komt. Zo mogelijk is het doel dat de ouders leren specifiek op te voeden. Ouders wordt geleerd hoe ze het klimaat, de relatie en de situatie kunnen hanteren naar hun kind toe om tot een goede opvoeding te komen. Dit leren gaat in drie stappen: observeren (de groepsopvoeder doet voor), participerend observeren (de ouder gaat oefenen op de groep) en tenslotte alleen specifiek opvoeden. Is dit niet haalbaar, dan is het in ieder geval van belang dat er gewerkt wordt aan de ouder-kindrelatie en aan leren een invulling te geven aan de ouderrol die bij de ouder past.

Het oudergericht werken is voornamelijk geïnspireerd door Alice van der Pas. Zij gaat er vanuit dat de ouder de basisvaardigheden van ouderschap (weer) moet leren. Deze vaardigheden zijn veiligheid bieden, verzorging, zicht houden op het kind, verwachtingen en eisen weergeven en grenzen stellen. Dit alles gaat samen met timen en doseren van deze vaardigheden. Haar ''motto'' is dat het maar zelden voorkomt dat de ouder tekort schiet in alle vijf de basisvaardigheden en dat alle ouders hierin te helpen zijn. Alice van der Pas heeft veel geschreven over ouderbegeleiding. Wat steeds naar voren komt is de positie van ouders:

  1. zij zijn cliënt en vragen consult;
  2. zij zijn méér dan hun ouderschapsproblematiek;
  3. hun besef van verantwoordelijk zijn voor hun kind, al lijkt het nog zo onderontwikkeld of verzwakt, is aanwezig, en het is hun legitimatiebewijs als ouder en de basis waarop hulpverlening stoelt;
  4. niemand is zo kwetsbaar als een ouder die niet voldoet aan de verwachtingen van zijn kind, zichzelf, de maatschappij, kortom: van ouderschap.
De ideeën van Alice van der Pas komen terug in de basishouding, aanpassingen die nodig zijn op de groep én in het oudergericht werken in de contactmomenten op de groep die hieronder beschreven worden.


Hier onder wordt dus beschreven op welke manieren er oudergericht gewerkt kan worden. Het is per situatie verschillend van welke items gebruik gemaakt wordt en van welke items niet. De items die cursief gedrukt staan, zijn veranderingen die niet direct invoerbaar zijn op De Enk, maar die wel bijdragen aan het oudergericht werken. De andere items zijn uitvoerbaar binnen de huidige kaders en middelen die er zijn op De Enk.
Om het geheel leesbaar te houden wordt er gesproken van 'ouder' en 'hem/hij'. Waar ouder staat, kan ook ouders gelezen worden en daar waar hem/hij staat kan ook haar/zij gelezen worden.

Basishouding

Welke bagage heeft de groepsopvoeder nodig in zijn contacten met de ouder?

De groepsopvoeder

  • Beseft dat iedere ouder een besef van verantwoordelijkheid heeft voor zijn kind, ook al heeft de ouder veel taken gedelegeerd of moest hij delegeren. Dit is het belangrijkste aangrijpingspunt in het contact met de ouder.
  • Houdt rekening met de mate waarin de ouder uiting geeft/kan geven aan dit verantwoordelijk zijn.
  • Beseft dat de ouder heel kwetsbaar is in zijn positie.
  • Benadert de ouder op een positieve en ondersteunende manier. Met een wijzende vinger zwaaien of constant wijzen op de verantwoordelijkheid, vergroot de stress van de ouder, demotiveert de ouder en kan er voor zorgen dat er geen vertrouwensrelatie/werkrelatie ontstaat.
  • Stelt de ouder op zijn gemak;
  • Straalt optimisme uit;
  • Heeft geloof in de mogelijkheden van de ouder;
  • Heeft een sensitieve en responsieve houding. Dit houdt in dat hij gevoelig is voor signalen en dat hij zich kan verplaatsen in de ouder.
  • Is zich bewust van zijn normen, waarden en opvattingen; zo weet hij waar hij staat en kan hij zijn eigen manier van reageren en handelen goed begrijpen en onder de loep nemen. Ook kan hij gemakkelijker verschillen en/of overeenkomsten met zijn collega of met een ouder bespreekbaar maken.
  • Houdt er rekening mee dat iedere ouder een andere opvatting kan hebben. Aangezien er multicultureel gewerkt wordt op de Enk, komen we in aanraking met ouders uit verschillende culturen. Elke cultuur heeft zijn eigen normen, waarden en opvattingen. Iets wat voor hen normaal is, kan voor een groepsopvoeder iets zijn dat absoluut niet door de beugel kan.
  • Is zuinig met kennis naar de ouder toe. Het kan namelijk suggereren dat de groepsopvoeder alles weet en de ouder niet. Dit schaadt het vertrouwen en het competentiegevoel van de ouder.
  • Is zich ervan bewust dat net als hij de ouder zich op zijn vingers gekeken kan voelen.
  • Beseft dat de ouder en het kind er niet mee geholpen zijn als de groepsopvoeder toegeeft aan de wens het kind te 'redden' door de betere ouder te zijn. Het is zaak er alles aan te doen om de ouder te mobiliseren: hem te stimuleren om weer beslissingen te nemen, oplossingen te verzinnen, te investeren in de relatie met zijn kind. Kortom voortdurend te zoeken naar de sterke kanten van ouder en gezin, hoe diep verborgen die soms ook lijken.
  • Beseft dat de verantwoording van de Vuurdoorn kindgericht is. Dit kan weerstand/verzet opleveren tegen de verwaarlozende ouder.

Aanpassing die nodig zijn op de groep

Om meer oudergericht te gaan werken zijn er een aantal aanpassingen noodzakelijk op de leefgroep. Daarnaast moet er gekeken worden naar wat prettig is voor de ouder om te weten.

  • De ouder heeft de mogelijkheid om samen met zijn kind op een apart plekje te zitten (bijvoorbeeld in de zithoek) wat enige privacy biedt, maar ook de gelegenheid geeft te ondersteunen of te observeren indien nodig.
  • De ouder weet waar hij welke spullen kan vinden en welke ruimte waarvoor gebruikt kan worden, teneinde de randvoorwaarde te scheppen voor een adequate invulling van het bezoek (limonade, koffie, speelgoed, speelgoed van het kind zelf, spelletjes). De groep ziet er netjes en ordelijk uit, al mag er natuurlijk wel gezien worden dat er geleefd wordt.
  • Er is een verjaardagskalender op de groep waar de data op staat van mensen die belangrijk zijn voor het kind.
  • De groep ziet er gezellig uit.
  • Op de groep is er informatie over de Enk aanwezig voor de ouder.
  • De telefoon op de groep heeft een speaker.
  • De ouder kent alle groepsopvoeders die werkzaam zijn op de groep.
  • De ouder kent de basisregels/omgangsvormen op de groep.
  • Groepsopvoeders gaan op een respectvolle en positieve manier om met de ouder.
  • De groepsopvoeder is bereid praktische en pedagogische vragen van de ouder te beantwoorden.
  • Aan de ouder worden de (on)mogelijkheden van het leven op een leefgroep uitgelegd.
  • Op zolder is er een logeer- en/of oefenruimte voor de ouder aanwezig.
  • Een aparte en geschoolde interne ouderbegeleider; voor groepsopvoeders is het moeilijk om in de schoenen te gaan staan van de ouders. Zij werken namelijk in het belang van het kind en kunnen dat niet zo makkelijk opzij zetten. Een aparte ouderbegeleider die daarvoor ook geschoold is, zal zich niet direct bezig houden met het kind en kan zich daardoor beter focussen op de ouders.
  • Orthopedagoog mede als ouderbegeleider laten fungeren. Om er voor te zorgen dat de orthopedagogen objectief kunnen blijven, is het een idee dat de orthopedagoog een andere groep krijgt waar zij ouderbegeleider is, dan de groep waar zij orthopedagoog is.
  • De drie groepen op de Vuurdoorn hebben dan een eigen orthopedagoog en een eigen (andere) ouderbegeleider. De orthopedagoge heeft wel een opleiding nodig om de rol van ouderbegeleider op zich te kunnen nemen.
  • Een vaste externe ouderbegeleider op De Enk. Ik denk dan aan een gelijke situatie als er nu is rondom spelbegeleiding. De spelbegeleider komt een x-aantal uren in de week op De Enk.
  • Een externe ouderbegeleider. Dus verbonden zijn aan een externe ouderbegeleider (die niet op De Enk komt) naar wie De Enk de ouders kan doorverwijzen. Het nadeel van deze optie is dat er lange lijnen zullen ontstaan, waardoor de afstemming van ouder en kind moeilijker zal zijn.
  • Indien de teamleider meer tijd kan krijgen voor de rol van ouderbegeleider, zou hij, met een opleiding, eventueel deze rol kunnen vervullen.
  • Voor de ouder is het goed één vast aanspreekpunt te hebben die ook daadwerkelijk tijd heeft voor de ouder.

Oudergericht werken in de contactmomenten met de ouder

Er zijn verschillende situaties waarin de teamleider, mentor en/of groepsopvoeder in contact komt met de ouder. Hieronder worden verschillende situaties beschreven. Allereerst de contact momenten aan de hand van het primair proces van De Enk en daarna de contactmomenten die zich veelal afspelen op de leefgroep.

Kennismaking


Bij de kennismaking wordt de start gemaakt voor een goede relatie en samenwerking met de ouder. Het is dan ook van groot belang dat de ouder zich op zijn gemak voelt en zich niet aangevallen voelt tijdens de eerste gesprekken. De kennismaking is de basis voor een prettige en effectieve hulpverlening.

De teamleider/orthopedagoog

  • Laat de ouder vertellen over de geschiedenis met hun kind. Ouderschapsproblemen hebben immers een achtergrond en een ontstaansgeschiedenis. Vergeet hierbij niet dat ouder en kind elkaar wederzijds beïnvloeden.
  • Maakt wederzijdse verwachtingen over de hulpverlening, het wonen op de Vuurdoorn, inzet van de ouder en werknemers, verantwoordelijkheid van zowel ouder als De Enk goed bespreekbaar. Laat de ouder hierbij ook goed aan het woord. Zorg er dus voor dat er sprake is van een dialoog in plaats van een monoloog.
  • Maakt het hulpverleningsproces voor de ouder zo inzichtelijk mogelijk.
  • Schetst een eerlijk beeld van de situatie op de leefgroep (hoe gaan de zaken, hoe is het om je kind in een leefgroep te hebben wonen, etc.).
  • Geeft de ouder duidelijk de kaders aan van de begrensdheid van de bevoegdheid.
  • Zorgt ervoor dat de ouder het gezamenlijk belang inziet.
  • Vraagt welke boodschap de ouder aan het kind gegeven heeft betreft de reden van uitplaatsing.
  • Bespreekt met de ouder de hulpvraag en de doelstelling van de hulpverlening.
  • Probeert samen met de ouder het eens te worden over de definitie van het probleem.
  • Probeert zo veel mogelijk met de ouder het hulpverleningsplan op te stellen. Op deze wijze zal de ouder meer bereid zijn tot meewerken.
  • Formuleert de doelstellingen zo concreet mogelijk en positief. Dus niet gericht op gedrag dat moet ophouden, maar vooral gericht op het formuleren van een gewenste situatie.
  • Bespreekt het toekomstperspectief met de ouder.
  • Checkt of de ouder het doel van de hulpverlening en de komende stappen in het hulpverleningsproces goed begrepen heeft (zie relatie: communicatie).
  • Zorgt er voor dat de ouder de regels van de groep op papier krijgt en geef een uitleg waarom er voor die regels gekozen is, hoe ze gehanteerd worden en wat er van de ouder verwacht wordt met betrekking tot die regels (de regels zullen allereerst wel duidelijk op papier moeten komen te staan).
  • Zorgt er voor dat de ouder zich vrij voelt te komen voor overleg of bij klachten.
  • Geeft de ouders alle informatie die ze gehoord hebben op papier. Tijdens zo'n gesprek doet de ouder zo veel indrukken op, dat hij gemakkelijk later iets niet meer weet van wat er gezegd is.
  • Er worden minimaal drie gesprekken gevoerd met de ouder voor het kind opgenomen wordt. Op deze manier zullen ouders zich meer thuis voelen en is er een beter basis gelegd voor gesprekken en dus voor de bevordering van de hulpverlening.
  • Het kind komt een keer of 3 op De Enk, zodat het bekend kan raken met de andere kinderen en zich beter in kan burgeren.
  • Als de band tussen ouder en kind centraal staat in de behandeling, zal de ouder meer betrokken worden.

Opname

  • Laat (indien mogelijk als de andere kinderen nog op school zijn) ouder en kind de groep zien, bijvoorbeeld waar het toilet is, waar wat te vinden is in de keuken, hoe de slaapkamers eruit zien, waar er gegeten wordt.
  • Laat ouder en kind zien waar zij de spelletjes, boeken e.d kunnen vinden. Dit is belangrijk omdat het aanknopingspunten zullen worden in het contact tussen ouder en kind.
  • Maak de ouder wegwijs in de keuken.
  • Geef aan ouders aan wat zij zelf mogen doen (bijvoorbeeld koffie zetten of een spelletje pakken) en wat liever niet. Probeer de beperkingen zo klein mogelijk te houden, dit vergroot namelijk het thuis voelen op de Enk.
  • Stimuleer de ouder om samen met zijn kind de kamer op te knappen / in te richten.
  • Laat ouder en kind kennis maken met de andere kinderen tijdens de thee. Zo kan het kind de kinderen vast zien en de eerste contacten leggen. Ook voor de ouder is het prettig om te zien hoe er met de kinderen omgegaan wordt en hoe de gang van zaken zijn.
  • Check bij het kind de boodschap die hij gekregen heeft rondom de reden van uitplaatsing.
  • Geef van te voren aan de ouders aan dat het afscheid een moeilijk moment zal zijn en dat rekken alles nog weer moeilijker maakt. Vraag naar wat de ouder zou willen.
  • Als het afscheid daar is, begeleid dan ouder en kind naar de deur.
  • Laat ouder en kind van elkaar afscheid nemen.
  • Voorkom dus rekken.
  • Houd het kind bij je en zwaai samen uit (later ontstaan er vaak afscheidsrituelen als bijvoorbeeld de auto wegduwen)
  • à het afscheid is een goed observatiemoment, bijvoorbeeld een observatiemoment om te kijken hoe de hechting eruit ziet.

(Voorlopige) planbespreking

Laat indien mogelijk de ouder bij de planbespreking aanwezig zijn. Mocht dit niet mogelijk zijn, dan zijn de volgende punten van toepassing bij een nabespreking.

  • Bespreek met de ouder de voortgang van de hulpverlening, wat er gezien wordt en hoe men denkt verder te moeten gaan.
  • Vraag de ouder hoe hij de huidige manier van hulpverlenen ziet.
  • Vraag of de ouder vooruitgang ziet (zowel bij zichzelf als bij zijn kind) en wat hij verder zou willen.
  • Vertel de ouder eerlijk hoe de huidige resultaten/stagnaties bekeken worden en hoe de toekomst wordt gezien.
  • Laat de ouder de groepsrapportage inzien.
  • Maak met de ouder afspraken voor de komende periode.
  • Geef de ouder de ruimte zijn zorgen, frustraties, genoegen of ongenoegen te uiten.
  • Probeer de ouder met een positief gevoel weg te laten gaan. Geef dus naast dat wat er niet goed gaat ook zeer zeker aan wat er wél goed gaat.
  • Blijf altijd eerlijk tegen de ouder.
  • Bespreek het nieuwe hulpverleningsplan.
  • Laat de ouder het hulpverleningsplan tekenen als deze klaar is.

Afsluitend gesprek met ouders bij vertrek

  • Vraag de ouder naar de beleving van het hulpverleningsproces op de Enk.
  • Vraag in hoeverre de ouder zich betrokken heeft gevoeld bij de hulpverlening.
  • Vraag naar de mening van de ouder over de ontwikkeling van zijn kind.
  • Vraag of de ouder nog punten ter verbetering heeft.
  • Vraag wat de ouder prettig gevonden heeft.
  • Vraag wat de ouder onprettig heeft gevonden.
  • Vraag wat de ouder het meest geholpen heeft tijdens het hulpverleningsproces.
  • Vertel hoe het team de hulpverlening heeft ervaren.
  • Bespreek kort de hulpvraag en de uitkomst.

Post

  • Stimuleer de ouder om zijn kind een kaartje of iets dergelijks te sturen.
  • Maak de ouder duidelijk welk belang het kind hecht aan het krijgen van post. Het kind zal zich verlaten voelen door de ouder nu hij niet meer thuis mag wonen. Doordat de ouder post stuurt naar zijn kind, merkt het kind dat hij nog steeds belangrijk is voor zijn ouder en dat deze hem niet vergeten is.
  • Probeer er achter te komen hoe de ouder tegen post aankijkt en welke waarde hij hecht aan het krijgen van post.
  • Bij het uitblijven van post voor het kind, de ouder herhaaldelijk wijzen op het belang van het krijgen van post.
  • Zorg er voor dat elk kind een doos of een map heeft waar de post ingedaan kan worden of ingeplakt kan worden. Geef deze dozen/mappen zo'n plek dat zowel ouder als kind deze doos/map kan pakken en samen of alleen er in kan kijken. Deze doos/map kan gebruikt worden ter bevordering van het contact tussen ouder en kind én kan helpen bij loyaliteitsconflicten (de ouder krijgt voor het kind nu een erkende en aanwijsbare plek in het leven van het kind). De mentor kan samen met het kind de doos/map doorgaan.
  • Geef de post aan het kind op de dag dat deze post binnengekomen is.
  • Check de post in geval van vermoeden van ongepaste inhoud.
  • Ruim wat tijd in om met het kind de post te bekijken/voor te lezen en geef het daarna met het kind direct een plek in de doos/map.
  • Lees belastende dingen niet voor aan het kind.
  • Houd post met belastende dingen voor het kind apart en confronteer de ouder hier later mee. (in het geval dat er praktisch geen contact is met de ouder, is dit niet nodig. Het apart houden van post kan het kind dan in een loyaliteitsconflict brengen) Laat hem weten hoe je gehandeld hebt, wat je van de ouder verwacht en maak afspraken wat te doen met het poststuk.
  • Geef het kind altijd het recht post naar de ouders te sturen en zorg er voor dat deze post ook daadwerkelijk gepost wordt.

Belcontact

  • De ouder belt zelf zijn kind op het afgesproken tijdstip. (tijdstip en frequentie wordt in overleg bepaald door de (gezins)voogd en de teamleider in het geval van een justitiële plaatsing en door de teamleider in overleg met de ouder in het geval van een vrijwillige plaatsing).
  • De teamleider onderhoudt (indien afgesproken) met de (gezins)voogd/plaatser contact over de manier waarop het bellen door de ouder ingevuld wordt.
  • De groepsopvoeder bereidt het kind voor op het telefoongesprek dat gaat komen. Het kind kan dan de omschakeling gemakkelijker maken als er gebeld wordt. Bij sommige ouders/kinderen is het goed dat de groepsopvoeder (een poosje voordat de ouder belt) met het kind bespreekt welke dingen hij/zij van de week gedaan heeft en wat leuk is aan mama of papa te vertellen.
  • De groepsopvoeder zit indien afgesproken bij het telefoongesprek. Een telefoongesprek kan namelijk veel zeggen over de verhouding tussen ouder en kind en kan aanwijzingen geven over waar aan gewerkt moet worden of wat als gezonde punten aangegrepen kan worden.
  • Sommige ouder hebben moeite met de invulling van het belcontact met hun kind. Om de ouder (en indirect het kind) hierin te helpen, kan het goed werken de ouder een aantal dagen voor het belcontact plaats zal vinden te bellen en te informeren over wat het kind van de week gedaan heeft. Op deze manier kan de ouder gerichter vragen stellen.
  • Om de ouder en/of het kind indien nodig/gewenst te begeleiden/stimuleren/ondersteunen in het gesprek is het goed om (in overleg met de ouder) de speaker aan te zetten tijdens het gesprek. Zo kan de groepsopvoeder het kind helpen in het vertellen en helpen in het afscheid nemen voor er opgehangen wordt.
  • Om de ouder te stimuleren in de belcontacten, is het goed na afloop van het gesprek de ouder feedback te geven. Begin altijd eerst met de positieve dingen, aangezien deze een goede-ouderervaring geeft. Geef indien nodig aan hoe de ouder een invulling kan geven aan het gesprek.
  • Om te voorkomen dat de ouder belastende opmerkingen maakt tijdens het belcontact kan er in overleg met de (gezins)voogd/plaatser afgesproken worden dat de speaker aangezet wordt tijdens het gesprek. Zo is de groepsopvoeder alert op belastende opmerkingen.
  • Als de ouder belastende opmerkingen maakt, probeer dit dan te sturen door de ouder af te leiden van het onderwerp via het kind. Stimuleer het kind een bepaald onderwerp aan te snijden (bijvoorbeeld: ''Vertel papa maar eens wat je zaterdag gedaan hebt.''). Ga niet in conflict met de ouder. Speel door dat wat de ouder gezegd heeft aan de teamleider. Deze neemt contact op met de (gezins)voogd. De mentor neemt het op met het kind.

Bezoek

De groepsopvoeder

  • Houdt er rekening mee dat de ouder toe kan zijn aan lichamelijke en psychische rust en daardoor niet consequent is in het bezoek.
  • Bereidt het kind voor als de ouder plotseling op een andere dag op bezoek komt.
  • Verwelkomt de ouder samen met het kind.
  • Maakt een praatje met de ouder en drink een kopje koffie met hem.
  • Helpt eventueel de ouder verder met praktische opvoedingsvragen. Stuur dit wel vanuit het kind. Een voorbeeld: ''Goh Margo, ik zie dat mama en jij niet meer iets samen doen. Misschien kunnen jullie buiten een spelletje doen.''
  • Kan incidenteel de ouder het gedrag van zijn kind inzichtelijk (proberen te) maken, spreken over verwachtingen die de ouder heeft ten aanzien van het kind en eventueel deze verwachtingen bijstellen. Ook dit wordt weer vanuit het kind gestuurd. ''Margo kan voor zichzelf geen structuur aanbrengen en daardoor is ze met wisselende dingen bezig.''
  • Springt (vanuit het kind) in bij de onjuiste interpretatie van het gedrag van kinderen door de ouder.
  • Zorgt ervoor dat adviezen/tips redelijk gemakkelijk uitvoerbaar zijn en geen hoge drempel voor de ouder opleveren.
  • Formuleert zijn advies, in context van de gebeurtenis, vanuit het kind als mogelijkheid en laat de ouder de ruimte om op zijn eigen manier te reageren.
  • Vraagt naar wat de ouder zou doen in een bepaalde situatie.
  • Is alert op sensitief gedrag van ouders en complimenteert dit.
  • Stimuleert de ouder naar het kind te kijken en om het gedrag dat ze zien op een positieve wijze te interpreteren door opmerkingen te maken als ''Wat heb je een leuke zoon.'', ''Wat goed zeg, dat hij zijn zwemdiploma gehaald heeft''.
  • Speelt samen met de ouder en het kind een spelletje als ouder en kind niet tot een activiteit komen.
  • Als ouder en kind niet tot een activiteit komen, kan er bijvoorbeeld een doosje samengesteld worden waarin kaartjes met activiteiten zitten. De ouder kan samen met het kind een keuze maken uit het doosje.
  • Tenzij anders besloten, kunnen ouder en kind de kamer anders inrichten of opruimen.
  • De ouder kan zelf koffie of thee zetten.
  • De ouder verzorgt het drinken voor zichzelf en zijn kind (en weet dus zijn weg in de keuken).
  • Zwaai de ouder samen met het kind uit.
  • Spreek met het kind het bezoek van de ouder na op kindniveau.
  • Voor ouder wordt de mogelijkheid gecreëerd ook door de week op bezoek te komen. Dit kan een aantal voordelen hebben. De ouder komt zo in aanraking met het dagelijks leven van het kind. Een zondag ziet er namelijk anders uit dan een door de weekse dag. De ouder komt meer in contact met de groepsopvoeders en zo kan er gewerkt worden aan een werkrelatie. Zo zal het modelleren ook beter aanslaan bij de ouder. Verschillen in normen en waarden worden beter zichtbaar. De zondag is niet langer meer overladen met bezoek. Als er minder bezoek is op een dag, kan er ook meer aandacht besteed worden aan het bezoek en dus gewerkt worden aan het hulpverleningsplan voor het kind.
  • Er zou eens nagedacht moeten worden waarom het wel of niet goed zou zijn de ouders de eerste week van het wonen op De Enk te laten logeren.
  • De ouder eet mee op de groep. Zo kan de ouder zien hoe de groepsopvoeders omgaan met problematische tafelsituaties. De ouder zal later aan bijvoorbeeld een eigen tafel kunnen oefenen met tafelsituaties.

Verjaardagen en feesten

De mentor/groepsopvoeder

  • Vraagt de ouder op de verjaardag van het kind.
  • Overlegt met de ouder wat er gekocht zal worden.
  • Laat de ouder de taart snijden.
  • Maakt foto's van ouder en kind. Deze kunnen dan in de doos/plakboek van het kind zodat deze later weer gebruikt kunnen worden in het contact tussen ouder en kind.
  • Organiseert (eventueel samen de met de ouder) het verjaardagsfeestje.
  • Plant samen met de ouder een dag voor het verjaardagsfeestje.
  • Laat de ouder zo veel mogelijk de activiteiten bedenken (samen met zijn kind) en bespreek dit indien nodig. De mentor houdt wel de touwtjes in handen en beslist.
  • Ruimt na afloop van het feestje samen met de ouder op en spreek het feestje na.
  • Organiseert één of meerdere malen in het jaar een bijeenkomst (bijvoorbeeld met z'n allen in de tuin werken of een voorstelling van de kinderen) voor alle ouders. Dit soort bijeenkomsten kunnen de werkrelatie versterken. De ouder zal zich meer betrokken voelen bij De Enk, doordat hij uitgenodigd wordt voor zulke dingen. Na afloop zou er een barbecue gegeven kunnen worden.
  • Betrekt de ouder bij de feestdagen; dus niet alleen met de kinderen Kerst vieren, maar ook de ouders vragen of ze samen met de kinderen en de groepsopvoeders Kerst willen vieren.

Mentorcontact

De mentor

  • Wordt gekozen uit de groepsopvoeders naar aanleiding van de persoonlijke aansluiting op de ouder.
  • Werkt in dat weekend dat de ouder op bezoek komt.
  • Probeert tijd in te ruimen om bijvoorbeeld met de ouder en kind een activiteit te doen.
  • Kan samen met de ouder activiteiten plannen, waarbij er gewerkt wordt aan de moeilijke punten in het gezin aan de hand van het hulpverleningsplan.
  • Heeft geregeld contact met de ouder (probeer dit in ieder geval één keer in de maand, liefst meer). Zaken die aan de orde kunnen komen zijn: schoolprestaties, contacten met vriendjes en vriendinnetjes, in grote lijnen hoe het met zijn kind gaat, bijzonderheden van het kind, hoe het met de ouder gaat, wat hij moeilijk vindt, afspraken over bijvoorbeeld het kopen van kleding, etc.
  • Licht de ouder in in het geval van ziekte en letsel van het kind (gebroken arm, ziekenhuisbezoek, mazelen, etc.)
  • Bespreekt met de ouder hoe hij het kapsel van het kind zou willen hebben.
  • Is het aanspreekpunt voor de ouder. De ouder kan afhankelijk van de taken van de mentor bij hem terecht voor praktische en pedagogische vragen en zorgen over het kind (voor klachten, problemen en verzetten van afspraken speelt de mentor de ouder door nar de teamleider).
  • Kan indien het zijn taak is tijdens gesprekken (zowel telefonisch als tijdens bezoek) met de ouder gedrag van zijn kind inzichtelijk (proberen te) maken, spreken over verwachtingen die de ouder heeft ten aanzien van het kind en eventueel deze verwachtingen bijstellen.
  • Hanteert zowel afstand als nabijheid voor het vestigen van een werkrelatie. Wat hiermee bedoeld wordt, is het volgende. Het kan gebeuren dat de ouder in de beleving van de groepsopvoeder heel dicht bij hem komt te staan. De kans is dan groot dat hij in de valkuil stapt waarin hij zo veel medeleven heeft met de ouder dat de ouder niet verder komt. Hij kan het vergelijken met blinde vlekken. Op een gegeven moment ziet hij dan niet meer dat zijn hulp niet meer zo effectief is. Een groepsopvoeder merkt/voelt aan wanner hij afstand moet nemen en wanneer hij nabijheid moet zoeken.
  • Probeert indien het zijn taak is zo veel mogelijk een tekort aan kennis of vaardigheden van de ouder aan te vullen.
  • Zorgt er voor dat adviezen/tips redelijk gemakkelijk uitvoerbaar zijn en geen hoge drempel voor de ouder oplevert.
  • Formuleert zijn advies als mogelijkheid en laat de ouder de ruimte om op zijn eigen manier te reageren.
  • Vraagt naar wat de ouder zou doen in een bepaalde situatie.
  • Is alert op sensitief gedrag van ouders en complimenteert dit.
  • Stimuleert de ouder naar het kind te kijken en het gedrag dat hij ziet op een positieve wijze te interpreteren.
  • Springt in bij de onjuiste interpretatie van het gedrag van het kind door de ouder.
  • Kan, indien er gewerkt wordt met gezinsgericht werken, fungeren als een 'vertaler' van het kind in gesprekken met de ouder over verschillende thema's.
  • Bepaalt in overleg met de ouder welke spullen er aangeschaft moeten worden voor het kind, wat er aan kleding aangeschaft moet worden en wie dat dan doet en hoe de inrichting van de kamer van het kind zal zijn.
  • Luistert actief; dat wil zeggen dat de groepsopvoeder zich ervan verzekert dat de
  • informatie die hij binnen gekregen heeft juist interpreteert. Passief luisteren (luisteren en instemmend reageren) maakt duidelijk dat hij wil begrijpen. Actief luisteren bewijst of de luisteraar ook daadwerkelijk begrijpt wat hij gehoord heeft.
  • Let op verborgen boodschappen. Als een ouder aangeeft te denken dat hij iets niet aankan, kan dit betekenen dat de ouder angst heeft voor wat er misschien gaat gebeuren, dat de ouder denkt niet capabel genoeg te zijn of dat de ouder er geen zin in heeft. Het kan natuurlijk ook zijn dat een ouder niet echt enthousiast op een voorstel reageert (bijvoorbeeld een bezoek thuis), terwijl hij het voorgestelde wel graag zou willen. Hierbij kan het zijn dat de ouder niet durft te zeggen dat hij graag iets wil, of dat hij zich niet in staat voelt de situatie aan te kunnen. Dit zijn wat voorbeelden om een idee te geven waaraan je kunt denken.
  • Maakt gebruik van ik-boodschappen. Een voorbeeld: Ik zie dat je er moe uitziet. Ik vraag me af of het bezoek vermoeiend was. Een jij-boodschap werkt aanvallend: Jij hebt ons niet om hulp gevraagd.
  • Stelt juiste vragen aan de ouder; Een vraag als waarom vind je dat moeilijk of waarom heb je dat zo aangepakt, kan de ouder het gevoel geven dat hij ter verantwoording geroepen wordt. Hij kan zich bij een dergelijke vraag in de verdediging gedrukt voelen. Een vraag als 'Wat zorgde ervoor dat je dat moeilijk vond' komt heel anders over dan de vraag 'Waarom vond je dat moeilijk?'.
  • Let hier op open en gesloten vragen. Een open vraag geeft de ouder ruimte. Je kan een open vraag breed houden (Wat vond je van het weekend?), maar ook heel smal maken (Wat vond je fijn in het weekend?). Probeer bij de ouder in te schatten wat hij aankan. Als beide formuleringen niet het gewenste resultaat opleveren, kies dan voor een gesloten vraag. Probeer dit echter wel zo veel mogelijk te vermijden, want gesloten vragen (Was het leuk?) geven weinig mogelijkheid tot een gesprek.
  • Vraag door. Als een ouder aangeeft dat het een heel leuk weekend was, kun je vragen wat ze gedaan hebben, wat er zo leuk was, wat het allerleukste moment was. Ook als een ouder iets niet leuk of moeilijk vond, kan je door middel van doorvragen er achter komen waar de schoen wringt. Op die manier kan de ouder geholpen worden met de moeilijkheid zodat een volgende keer wél als prettig ervaren kan worden.
  • Vat samen wat de ouder gezegd heeft en structureert het verhaal. Hierdoor kan je nagaan of je het verhaal goed begrepen hebt.
  • Let op zijn lichaamstaal en op die van de ouder. Door bewust te zijn van wat je uitstraalt, kan
  • je beter begrijpen waardoor de ander op je reageert zoals hij reageert. Lichaamstaal laat
  • veel zien van wat iemand denkt of voelt. Taal en lichaamstaal kunnen tegenstrijdig zijn. Zo kan
  • een ouder enthousiast 'ja leuk' zeggen, terwijl het lichaam uitstraalt dat hij het helemaal niet
  • leuk vindt. Zo kan je ook bij jezelf zien of dat wat je zegt en wat je doet gelijk aan elkaar is.
  • Geeft op de leefgroep erkenning en ruimte aan de plaats van de ouder en aan de band tussen ouder en kind.
  • Probeert medewerking te krijgen van de ouder. Als de ouder merkt dat de groepsopvoeder laat blijken dat hij inziet en erkent wat de ouder en kind voor elkaar betekenen en dat hij hun positie nooit in wil en kan nemen, zal hij sneller tot medewerking geneigd zijn.
  • Laat blijken dat hij de hulp van de ouder nodig heeft ten behoeve van de behandeling van het kind.
  • Betrekt de ouder zo veel mogelijk bij zijn kind.
  • Ouder dingen laten zien dat het kind gemaakt heeft;
  • Ouder vertellen over dingen die het kind op de groep heeft meegemaakt;
  • Ouder uitnodigen voor het verjaardagsfeestje van het kind op de groep;
  • Ouder krijgt indien mogelijk zo veel mogelijk zorgtaken als kleren kopen, naar de kapper gaan en het doktersbezoek;
  • Zorgt er voor dat het kind openlijk loyaal kan blijven ten opzichte van de ouder.
  • Let erop dat de kinderen onderling niet negatief over elkaars ouders praten.
  • Praat regelmatig genuanceerd met het kind over zijn ouder of over thuis.
  • Vragen wat het kind thuis gedaan heeft tijdens bezoek;
  • Belangstelling tonen voor foto's van thuis;
  • Bij een mooie tekening opmerken dat papa en mama die vast heel mooi zouden vinden;
  • Als een kind jarig is, vragen wat ze thuis altijd met verjaardagen doen;
  • Helpt de band tussen ouder en kind te versterken of eventueel te herstellen door hen te helpen vorm te geven aan hun contact.
  • Maakt ouder en kind bewust van de leuke dingen van elkaar en van hun betrokkenheid op elkaar.
  • Doet zo nodig samen met ouder en kind een spelletje.
  • Schenkt aandacht aan de leuke en goede momenten tussen ouder en kind zodat zij kunnen gaan ervaren dat ze op een leuke manier met elkaar bezig kunnen zijn.
  • Beseft dat de ouder (tenzij bij een ontzetting) ten alle tijden de eerstverantwoordelijken zijn voor hun kind.
  • Probeert zo veel mogelijk aan te sluiten bij de wensen van de ouder.
  • Ziet ieder gezinslid als een persoon met een eigen geschiedenis.
  • Is bereid zich in te leven in ieder van de gezinsleden afzonderlijk.
  • Heeft zicht op/is zich bewust van de onderliggende verhoudingen in het gezin.
  • Is geschoold in gesprekstechnieken.
  • Heeft een duidelijke taak/rol in het oudergericht werken. Zo kan hij meewerken aan het leren uiten van gevoelens en het duidelijk maken van wensen en verwachtingen naar elkaar toe. De groepsopvoeder zou bijvoorbeeld kunnen optreden als vertaler van de belevingswereld van het kind en als steunpilaar dienen.
  • Heeft de mogelijkheid tot het krijgen van een goede begeleiding (bijvoorbeeld intervisie en supervisie)

Contacten teamleider

De teamleider

  • Streeft naar het zelfregulerend en probleemoplossend vermogen van het oudersysteem te activeren.
  • Verkent hoe gezinsleden denken, gebeurtenissen interpreteren en betekenissen construeren.
  • Probeert er achter te komen wat de ouder belangrijk vindt in de opvoeding van zijn kind. Dit hangt weer samen met de normen en waarden die elk individu heeft. Als de teamleider hier achter komt, wordt het voor hem inzichtelijker hoe en waarom de ouder reageert zoals hij reageert.
  • Vertelt de ouder dat wat nuttig is voor de begeleiding.
  • Voorkomt dat de schaamte van de ouder nog groter wordt en/of dat de ouder nog meer gekwetst wordt.
  • Beperkt de begeleiding tot die gebieden die duidelijk te maken hebben met de relatie en het toekomstperspectief tot en de aanpak van het kind. Daar is namelijk de sterkste motivatie van de ouder te vinden en zijn beste energie.
  • Kan tijdens gesprekken (zowel telefonisch als tijdens bezoek) met de ouder gedrag van zijn kind inzichtelijk (proberen te) maken, spreken over verwachtingen die de ouder heeft ten aanzien van het kind en eventueel deze verwachtingen bijstellen.
  • Probeert zo veel mogelijk tekort aan kennis of vaardigheden van de ouder aan te vullen.
  • Praat met de ouder over ideeën en verwachtingen die hij heeft van zijn kind.
  • Springt in bij de onjuiste interpretatie van het gedrag van het kind door de ouder.
  • Zorgt er voor dat adviezen/tips redelijk gemakkelijk uitvoerbaar zijn en geen hoge drempel voor de ouder oplevert.
  • Formuleert zijn advies als mogelijkheid en laat de ouder de ruimte om op zijn eigen manier te reageren.
  • Vraagt naar wat de ouder zou doen in een bepaalde situatie.
  • Is alert op sensitief gedrag van ouders en complimenteert dit.
  • Stimuleert de ouder naar het kind te kijken en het gedrag dat ze zien op een positieve wijze te interpreteren.
  • Vat elk gesprek met de ouder samen (Op zo'n wijze dat het helder en inzichtelijk is voor de ouder. Geen moeilijke taal dus.) op papier en zorgt er voor dat de ouder dit verslag ontvangt.
  • Vermijdt moeilijke taal en terminologieën.
  • Probeert de ouder ervan bewust te maken van de goede-ouderervaringen, ook in de kleinst mogelijke dosering. Deze geven namelijk zelfvertrouwen en verstevigen het ego van de ouder.
  • Vertelt de ouder duidelijk en eerlijk over hoe het met zijn kind gaat.

Conflictsituaties

  • Indien de ouder klachten heeft over wat dan ook (toestand van zijn kind, de situatie op de groep, een groepsopvoeder, etc.), hoort de groepsopvoeder deze aan en zegt dat hij zich daarvoor beter tot de teamleider kan richten.
  • Als de ouder geen genoegen neemt met je doorverwijzing, geef dan aan dat je het zult noteren, dat jij er nu verder niets aan kan doen en dat je het zo snel mogelijk met de teamleider zult bespreken.
  • Neemt de ouder nog geen genoegen met het antwoord, leg dan uit dat die regel er in het belang is van de ouder en het kind en dat daar niet vanaf geweken kan worden. Toon begrip voor het feit dat er niet direct wat met zijn klacht gedaan kan worden.
  • Indien een ouder een conflict aangaat met een groepsopvoeder, zonderen de groepsopvoeder en de ouder zich af van de groep. De groepsopvoeder zorgt dat hij pen en papier bij de hand heeft en schrijft het probleem of de klacht op.
  • De groepsopvoeder geeft aan dat de teamleider hem terug zal bellen over het gebeuren en dat er dan eventueel een afspraak wordt gemaakt voor een gesprek.
  • Staat de groepsopvoeder alleen dan geeft hij aan dat hij nu voor negen kinderen moet zorgen en dat hij nu geen tijd heeft op het conflict in te gaan. Zoek samen naar een ander moment.
  • Toon ten allen tijde begrip en baker tijd af.
  • Bel nooit de politie, maar de bereikbaarheidsdienst of een andere groep. De bereikbaarheidsdienst kan wel besluiten de politie te bellen.
  • Denk altijd aan de veiligheid van de kinderen!

De weg naar verbetering

Om van de huidige situatie (met een optimalisering binnen de bestaande kaders en middelen) te komen naar de gewenste situatie zullen er een aantal grote veranderingen moeten komen. Stappen die hierbij genomen moet worden zijn:

  • Er moeten gesprekken gevoerd worden binnen het management.
  • Er moet een gedeelde visie gemaakt worden over o.a het oudergericht werken.
  • De functieomschrijving moet goed bekeken worden, herzien worden (aangezien de teamleider, groepsopvoeders en orthopedagoog veel vaker in direct contact komen met de ouder dan aangegeven staat in de functieomschrijving) en het aantal uren dat aan de ouder besteed wordt, moet reëel zijn.
  • Er moeten faciliteiten gecreëerd worden voor een ouderbegeleider.
  • De zolder moet verbouwd worden als deze gebruikt gaat worden voor de ouder.
  • Er moet een cliëntenraad of ouderraad opgericht worden. Hiervoor zal gezocht moeten worden naar een haalbare invulling.
  • Er zal gekeken moeten worden of het toch niet mogelijk is een vorm van directieve thuisbehandeling en/of videohometraining in te zetten, ook daar waar het toekomstperspectief niet geheel helder is.
  • Er zal gekeken moeten worden welke plaats de ouder op de groep in kan nemen.
  • Er moet gekeken worden of de draaglast wel reëel is met het aantal mensen dat op de leefgroep werkt (misschien meer mensen op de groep of een kleiner aantal cliënten).
  • Probeer instellingen te benaderen waarin het oudergericht werken geïntegreerd is. Daar kunnen ideeën opgedaan worden.
  • Tot slot een citaat van Corry Vos:'' Ik zou zeggen: doe het geleidelijk aan, zet niet ineens de deur wagenwijd open. Je haalt je anders een heleboel op de hals wat je je van te voren niet realiseert. Begin bijvoorbeeld met vaker bezoek toe te staan dan je gewend bent, tijdens maaltijden bijvoorbeeld. Probeer ook niet alles te plannen, maar laat de dingen spontaan gebeuren. En realiseer je dat het veel energie vraagt, niet alleen van de groepsleiding, maar van alle medewerkers, ook van de kok en ook van de huishoudelijke hulp.''

Als er over de grote linie overeenstemming bereikt is en middelen ontwikkeld zijn hiervoor, kan er gedacht gaan worden aan implementatie.